Wie dit leest is niet gek

jul 2020

[Dit is een bewerking van een brief die nooit heeft bestaan]

Dag zus,

Luister goed. Ik weet dat je de laatste tijd moeilijk je aandacht erbij kunt houden. Dat is niet erg, maar het betekent wel dat deze brief veel van je zal vragen. Ik smeek je om hem toch uit te lezen, want we praten al zo weinig. Nog maar twee minuten ben ik bij je op bezoek en je vertrekt al. Je vingers volgen groeven in de tafel of je ogen dwalen door de gezamenlijke woonkamer. Ik probeer je blik te volgen en er voor je te zijn, maar dat doe ik nu al vier maanden en veel langer hebben we niet. Ik vrees dat belangrijke dingen je gaan ontglippen als je nog langer in de psychiatrische kliniek blijft. Je dagen draaien dan wel om opstaan, dagbesteding, medicijnroosters en het eten met de verpleging, maar er is weinig prettigs aan die regelmaat. Bovenaan het dagmenu prijkt altijd weer datzelfde weerzinwekkende gerecht: jijzelf. Het zijn jouw gevoelens en gedachten die alle dagen op de snijplank liggen en je vervreemden van alles wat je dacht te zijn. Zus? Vergeet het. Jongvolwassene? Ook niet van toepassing. Die ranzige prullenbak in de hoek van de woonkamer? Een gek? Een sadist? Dat lijkt er meer op.

Zo kan het niet langer. Nog eens vier maanden in de kliniek en er rest ons alleen nog afstand: Jij aan de ene kant van de tafel, ik aan de andere kant en twee kopjes thee in het midden. En dat is het dan. Ik wil meer met je kunnen delen dan alleen een bezoekuur. Dus laat me je herinneren aan de mens die je was, die je bent en die je altijd zult blijven.

Het is juni 2019 en Lily van Lakerveld staat in de rij bij de Albert Heijn om haar boodschappen af te rekenen. Achter haar vraagt een meisje aan haar moeder wat er met Lily's armen aan de hand is. Ze staan namelijk vol littekens. De moeder is even stil en antwoordt: "Die mevrouw heeft gekrast omdat ze ergens veel pijn over had". Lily blijft stil en tranen wellen op in haar ogen. Hier is een moeder die haar kind respectvol antwoordt, terwijl ze net zo goed een oordeel had kunnen vellen: "Die mevrouw is ziek in haar hoofd", "Die mevrouw heeft iets doms gedaan" of "Die mevrouw heeft haar lichaam niet goed verzorgd". Anderzijds had de moeder uit een drang tot bescherming haar kind kunnen voorliegen door te verbloemen dat wanhoop iets menselijks is: "Die mevrouw heeft zich per ongeluk gesneden" of zelfs: "Die mevrouw is gevallen van haar fiets". Toch zijn zulke absurde zinnen regelmatig in supermarkten te horen, vaak genoeg om dit voorval bijzonder te maken voor Lily, die haar ervaring deelde op social media.

Wat Lily en andere mensen horen, heb ook jij in meer of mindere mate gehoord. Voor velen ben je immers de depressieve vriendin die niet op kwam dagen of de klasgenoot die school verliet in een ambulance. Daar gaan geruchten over rond. Zou ze zich snijden? Laatst bij een bezoek ging ik nog even naar je wc. Het was geen goede nacht geweest. Het bloed uit je armen zat nog steeds tussen de tegels.

Het is niet raar om het mes in jezelf te zetten als geruchten sterk aanwezig zijn. De ander denkt iets en dat heeft macht, altijd en overal. Neem mijzelf. Zoals je weet pak ik vaak de metro. Zodra er een dakloze instapt en vraagt om hulp, kijk ik meteen naar buiten. Eerder uitstappen vind ik laf van mezelf. Tegelijkertijd schiet er door mijn hoofd: "Wat als hij door het lint gaat? Wat als hij me vastpakt? Wat als hij net zo hard aan me trekt totdat er ergens geld uit rolt?" Dus wanneer hij nadert luister ik niet naar zijn verzoek. Ik poeier hem af, net zoals de anderen in de metro. "Waar komt zulk soort collectieve morele wreedheid vandaan?", vraagt de Amerikaanse filosofe Judith Shklar zich af in haar werk. Ze had net zo goed kunnen vragen: "Waarom is bedelen zo moeilijk?". Haar antwoord is dat we als liberale samenlevingen geweld al snel als wreed en onterecht zien. Daarom vrezen we het en veroordelen we het. Politiegeweld bijvoorbeeld, maar ook de agressie van een dakloze aan de drugs. In onze veroordeling doen we vaak iets wreeds terug. We vinden er iets van, en naarmate meer mensen erin geloven groeit het oordeel uit tot waarheid: Elke agent is gedreven door racisme. Daklozen hebben zelf hun leven verpest.

Hoe verschillend racistische agenten en daklozen ook mogen zijn, van beide vinden we dat ze ergens aan moeten werken. Gewoon zijn is niet genoeg. Dus moet er gepraat worden. Daar kun jij je vast wel iets bij voorstellen. Voor jou was er lange tijd de psycholoog, toen een leger aan coördinatoren op school en nu is er twee keer per dag een gesprek in de kliniek. Het zijn de meest gevreesde uren. De kantoortjes zijn inwisselbaar. Gespannen ga je zitten in de stoel die ruikt naar zweet en zelfhaat. De eerste minuten zijn luchtig, vriendelijk bijna, je handen ontspannen iets. Maar dan vinden zijn ogen de jouwe en komt de onvermijdelijke vraag: "Kun je me vertellen waarom we hier zijn?". Nee, niet bepaald, denk je, anders zat ik hier toch niet. Dus je antwoordt met een stilte, je kaken klemmen zich op elkaar en de knoop die er al lag trekt zich verder strak. In de maag? Om de hals? Het maakt niet uit, er zijn toch geen woorden voor.

Je stilte kan ik niet vullen, maar een deel van het antwoord waarom je bij de psychiater zit vinden we in de geschiedenis. In de 18e eeuw bestond de psychiatrie uit het opsluiten van iedereen die niet voldeed aan de verwachtingen van die tijd. Landlopers, geldverkwistende vaders, bedelaars en waanzinnigen. Het doel, zo schrijft Paul Verhaeghe in 'Over normaliteit en andere afwijkingen', was om hen weer te voegen naar de samenleving en het pad van de rede te laten bewandelen. Immers, zo dacht men ten tijde van de Verlichting, waren de waanzinnigen van dit pad afgedwaald door tegennatuurlijke keuzes. Ze hadden te passievol geleefd en daardoor hun geest aangetast. In de instellingen van die tijd werd deze zwakte rechtgezet door een 'chef de clinique'. Deze mannelijke bakens van autoriteit, met karakters zo rechtschapen als een lineaal, leerden hen weer mores.

De psychiatrische praktijk kwam in ander daglicht te staan toen de natuurwetenschappelijke geneeskunde zich ontwikkelde. Zoals infecties te koppelen waren aan bacteriën, dachten psychiaters dat waanzinnigheid en afwijkende gedragingen verbonden waren aan een toestand van ziekte in de hersenen. De wetenschap hoefde slechts nog te vinden waar die ziekte precies lag: Misschien was er wel één getroffen hersendeel per afwijking? In ieder geval bleef het morele oordeel. Patiënten hadden een ziek brein en functioneerden dus niet als een normaal mens.

Dit wetenschappelijke project is nog steeds gaande en heeft jouw gediagnosticeerde afwijking inmiddels vastgesteld. Mogelijk heb je hem bovenaan je dossier zien staan. Verder is de poging om psychiatrische ziektebeelden te vangen weinig succesvol. Elke indeling van gedrag, zelfs die in het statistische handboek van de psychiatrie, blijkt zich niet te concentreren tot een handvol zieke hersendelen. Integendeel, de diagnoses in de DSM-5 zijn talrijk en subjectief. Hun basis ligt niet in bloedwaarden of hersenscans, maar in lijstjes observaties zoals 'abnormaal druk' of 'verminderd responsief'. Het zijn opsommingen van manieren waarop men niet voldoet aan de normaal, met als verbijsterende effect dat als de normaal verschuift er nieuwe ziektes volgen.

Subjectieve labels kunnen nog steeds behulpzaam zijn. Ze geven woorden aan ons innerlijk op momenten dat ons leven diep van binnen moeilijk te beschrijven valt. Maar een label dat voor de één verheldert, is voor de ander een belediging. Mij beledig je bijvoorbeeld als je me stil noemt. Jarenlang vond ik geen plek in groepen en op feestjes, en heb ik mezelf aan de zijlijn gehouden. Stilte was een feit, maar het was ook een feit dat jij en ik opgroeiden onder ongewone omstandigheden en dat ik gedachten had die ondeelbaar leken. Nog steeds vraag jij je af of het wel goed met me komt. Terecht. Jij beschadigt jezelf. Je zoekt naar medicijnen. En je vraagt jezelf af of de gordijnen in de gezamenlijke woonkamer sterk genoeg zijn om jezelf aan te verhangen. Komt het daarmee wel goed met jou? Geen idee, in ieder geval hebben we naast het label depressie ook je geschiedenis erbij nodig. Subjectieve labels zijn immers geen volledige verklaring, zo stelt Nathan Filer, schrijver en voormalig verpleger in de geestelijke gezondheidszorg. Toch hebben we de neiging om nare ingrijpende ervaringen van anderen, zoals het nemen van een overdosis op een wanhopig moment, af te doen met een 'ja, dat komt omdat hij ... heeft'. Zo miskennen we dat de oorzaak van problemen en de redenen waarom ze aanhouden, niet alleen in het brein bestaan, maar ook in de gebeurtenissen en omstandigheden van onze levens. We beweren dat misschien niet zo snel één op één over naasten, maar wel vaak publiekelijk over vreemden.

Stel er is een jongvolwassene die zich alleen in zijn gehuurde kamer helemaal te pletter drinkt. We praten dan makkelijker over zijn depressie die op de loer lag, dan over de algemene wanhoop in zijn leven vol onregelmatige baantjes die hem beroofden van zijn sociale leven en alleen maar dienden om de hoge kamerhuur te betalen. We vrezen het leed van zo’n leven omdat we vinden dat elk individu op elk moment het beste uit zichzelf moet kunnen halen. Had de jongeman immers niet in een eerder stadium zijn leven meer moeten structureren en harder moeten werken op school? Dan zou hij nu studeren in plaats van zich laten gebruiken in allerhande rotbaantjes. En, oké, stel dat we de vergooide jaren en de depressie accepteren. Had hij dan niet moeten doorhebben dat zijn stemming hem teveel werd, medicatie-advies moeten inwinnen en zich moeten aansluiten bij een lotgenoten groep? Ik zou het gedaan hebben als ik hem was. Want niets, zelfs geen ziekte, mag mij belemmeren in mijn succes.

Als dat is hoe de meesten jou begrijpen dan ben je fucked met je problemen zus, want de conclusie heb je snel gemaakt: Als het leven maakbaar is, en ik hier zo in de ellende zit, dan ben ik schuldig aan mijn eigen mislukking. En dat ben je niet. Dat ben je niet. Je bent het niet, maar je voelt het wel. Als ik door het park loop maken alle stelletjes op het gras mij overduidelijk alleen. Als vrienden klagen over een familiediner weet ik dat mijn familie überhaupt niet meer dineert. Als mensen elkaar in de armen vallen op tv weet ik dat ik nooit zoveel voor iemand zal betekenen. En jij? Als jij op je kamer zit in de kliniek en kijkt naar het bezoek van buiten, weet je dan dat je onherroepelijk gek geworden bent?

Laatst was ik op bezoek en we liepen een rondje. Ik had vast saaie kleding aan, zoals ik dat wel vaker doe. Je zei er wat van en ik probeerde niet beledigd te zijn, want waarom moeilijk doen over kleding als jij er zo slecht aan toe bent en lucht nodig hebt? Zodoende sneed ik een nog slechter onderwerp aan: mijn werkdag. Al vertellende over vergaderingen voelde ik de bodem onder ons vandaan vallen. Was dat het moment dat je begon met vergelijken? Dacht je: “Ik heb mezelf zó vastgezet, zó gek gemaakt dat ik nooit meer normaal zal kunnen werken zoals mijn broer dat doet”? Dat zou me pijn doen, het is maar werk. Wat echt telt is wat jij zegt, bent en doet.

Sowieso ben jij iemand met de kracht om op te krabbelen. Zoals eerder ga je dan van de kliniek naar huis, en gebeurt alles weer voor het eerst. Op school sta je in de gang waar vage vriendinnen aan je vragen: 'Hoe gáát het nu met je?'. Overduidelijk vragen ze naar de reden dat je dáár zat, want zo'n kliniek is toch geen plek voor meiden zoals jij? Onthul je dan hoe diep je hebt gezeten? Vertel je dan dat je vanochtend nog hebt overgegeven van angst? Nee, dat kan niet, niet tegenover mensen met een heel jong leven voor zich. Liever zeg je dat je depressief bent, een dipje had, en nu met hulp weer verder kan. Tegelijkertijd trek je je mouwen nog wat verder over je littekens.

Doe het niet. Daar in de gang slik je de belangrijkste les van je leven in: Er is niets normaler dan leed, falen en de afwezigheid van grip. Dus duw al die ervaringen niet onder je dubbele bodem. Je weet goed hoe loodzwaar dat je leven maakt. Ik verzeker je dat je gevoelens en gedachten menselijk zijn. Dus spreek niet zomaar van een ziekte in jezelf. Overzie de gebeurtenissen en omstandigheden van jouw leven. En dim de harde oordelen. Want is dat waar wij staan, beste zus? Zit ik hier normaal te zijn en ben jij de gek aan het andere eind van deze brief? Ben jij de prullenbak? De sadist? Natuurlijk niet. Je bent mijn zus.

Liefs,
je broer.



Nathan Filer (2019) Why We Need To Move The Mental Health Conversation Beyond 'Stigma', Huffington Post

Lily van Lakerveld (2019) Twitter

Blake Smith (2020) Moral Cruelty and the Left, Tablet

Paul Verhaege (2019) Over normaliteit en andere afwijkingen, Prometheus, Amsterdam. ISBN 9789044643220